Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ridders bij een val van zijn paard, een ontwrichten schouder en heup had gekregen," viel vader Hubertus in. „Kort nadat graaf Auersperg en zijn volgers uit het gezicht waren, werd ik aangesproken en goedschiks, kwaadschiks meegevoerd. Een geestelijke was voor hen een heelmeester. Met een wond wisten zij raad; met een ontwrichting niet. Gelukkig dat ik veel geleerd heb in den laatst en slag!"

Auersperg had geen deel genomen aan het gesprek.

Wat hij zag, wat hij hoorde, was Roswitha.

Haar uitroep met al zijn liefelijke teederheid zong nog na door de kamer boven de luidere stemmen der anderen in zijn gedachte.

Die waren óok onder haar bekoring!

Nu trad zij op haar oude vrienden toe, jubelende dankbaarheid in haar oogen, en dankte hen met haar glimlach en haar kus.

Nu stond zij voor hem en drukte zijn hand, en keek hem aan.

Wat had zij gezegd?

Hij had zich over haar hand gebogen of het de hand was eener koningin, machtig om hem te beschenken met schatten ontelbaar uit haar rijk van zegen.

Graaf Bernsdorff had zich afgewend.

De blik tusschen Auersperg en Roswitha had hem op nieuw herinnerd dat de dochter van zijn vriend voor zijn neef verloren was.

Waar zou hij er eene vinden als zij!

In korte trekken brachten graaf Bernsdorff en Auersperg ridder Dagobert op de hoogte van het voorgevallene in kamp, in gevecht, en op reis.

Roswitha haalde den brief van den Keizer te voorschijn en de daarbij gevoegde verzegelde perkamenten rol.

Sluiten