Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een oogenblik van stilte volgde toen ridder Dagobert die ontrold had.

De Valkenburcht een vrouweieen!

Roswitha na hem vrouwe van den Valkenburcht!

— Kind," zeide ridder Dagobert, terwijl hij de hand legde op haar naar hem toegebogen hoofd — want Roswitha had meegelezen — „mijn wensch vervuld! Nu allereerst naar hem, naar mijn Keizer!"

Blijdschap en ontroering om dat onverwachte en — onverdiende, zooals hij het zacht in zichzelf er bijvoegde, vaagde de moeheid weg uit zijn leden en het ondergane leed uit zijn herinnering.

— Naar mijn Keizer!

— En, wanneer uw diensten hem niet noodig zijn, naar tante Gonda en al uw getrouwen daar!" voltooide Roswitha. „En zoolang u bij den Keizer bent, ik bij Godelieve."

Haar hart vloog naar Godelieve.

Zij zou haar opzoeken.... en niet meer loslaten.

Aan de deur stond Herman. Warm was de ontmoeting tusschen hem en zijn meester. Geen zijner gezellen had hij terug gezien. „Geen was er ontkomen," had Govert gezegd.

Dat gaf een zwarten somberen toon in de feestelijke stemming.

Men zocht naar Govert, dat hij verdere inlichtingen zou geven. Maar Govert was niet te vinden. Vermoedelijk was hij losgebroken en ontsnapt in de algemeene drukte en opgewondenheid der laatste uren.

Vader Hubertus, die Jodocus op het binnenplein had opgemerkt en tot hem wilde, ging weg met Herman. Een oogenblik later zag Roswitha hen gedrieën op en neer wandelen. Zij maakte haar vader op Jodocus opmerkzaam.

Ridder Dagobert ontroerde toen hij den nar herkende.

Was de Keizer dichtbij ?

— Hij was de hand en het hoofd van onzen tocht naar

Sluiten