Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXVII.

Koert werd vooruitgezonden om den Keizer van ridder Dagoberts bevrijding de blijde mare te melden, en dat hij zich van zijn opdracht kweet op de snelste wijze als „graaf Heribalds beste ruiter" spreekt van zelf.

Ridder Dagoberts komst aan het hof geleek op een triomftocht.

Het scheen wel dat degenen die het luidst van zijn vermeende ontrouw hadden gesproken, nu ook het luidruchtigst waren in het vertoonen van vreugd bij zijn verschijnen.

De ontvangst bij den Keizer was schitterend.

Dat was ridder Dagobert niet naar den zin. De hartelijke begroeting zonder getuigen die vooraf ging, was dat meer. Maar staastbelangen eischten dat vertoon en hij moest zich voegen.

Roswitha was onder geleide van vader Hubertus doorgereisd naar Godeüeve.

Het stille statige klooster was weer tot zijn rust teruggekeerd.

De groote zalen tot hospitaal ingericht waren leeg. Alleen nog een paar der ergste gewonden werden verpleegd in het nevenvertrek, waar Roswitha eens haar oom Hohenberg en Carel had bezocht.

De Heer van Hohenberg had tot een der eerste herstelden behoord en was met bei zijn zoons vertrokken naar zijn goederen.

Ehrenfrieds wonden waren niet zoo geheeld. Koorts had hem geplaagd en de genezing vertraagd. Zijn gedachten waren geweest bij Roswitha en haar vader.

De geruchten omtrent dien laatsten had hij met evenveel verontwaardiging gehoord als bestreden. Ook dat het verblijf van Godelieve tegen ridder Dagobert zou getuigen.

Sluiten