Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Godelieve ging beschroomd en deemoedig.

Waren daar niet ridder Dagobert en Roswitha geweest, was Ehrenfried niet met haar gegaan tot aan de deur van de zaal, waar ook hijzelf binnen enkele minuten zou geroepen worden, haar onwillige voeten zouden hebben geweigerd te gaan.

Vol en ernstig voelde zij den blik op haar rusten van den man tegen wien haar vader had misdaan.

De Keizer, Roswitha's held, werd ook haar held toen zij hem hoorde spreken.

— Wees de ouderlooze tot steun, en vervolg wat gij zijt begonnen, ridder Dagobert. Wij gaan met u mede in het goed: aangevangen werk. Door uwe dochter kennen wij haar vriendin."'

Daarna kwam de buurt aan Ehrenfried.

En toen wenkte de Keizer dat allen zouden gaan, en ridder Dagobert blijven.

— Nog een ernstig woord, ridder, over een zaak die ons ter harte gaat. Gij kent Auersperg. Gij weet hoe hoog wij hem stellen. Wij meenen den wensch van zijn hart te kennen, en zagen dien gaarne bevredigd. Wat zegt gij, als vader van uwe Roswitha, daartoe?"

En daar ridder Dagobert zweeg:

— Spreek vrij uit."

— Niemand zal mij als schoonzoon liever zijn dan Auersperg, maar — Roswitha is jong, heeft zooveel beleefd en doorgemaakt in korten tijd....

— Mag ik hem nu al verblijden met uw eerste woorden? Gij hebt gelijk.... Laat haar in volle blijheid en vrijheid.... tot haar hart zal verlangen naar hem in wien zij nu al haar vriend ziet. Beloof mij van dat verlangen kennis te geven en door mij Auersperg te laten roepen."

19 L

Sluiten