Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

w

XXXVIII.

Ruim een half jaar later reed een kleine, keurig uitgedoste stoet den weg naar den Valkenburcht: Auersperg aan het hoofd, Jodocus en Koert achter hem.

Wolf keek uit van den omgang en monsterde paarden en ruiters, en de zwaarbepakte lastpaarden die ze tusschen hen in meevoerden.

Hij richtte zich op en een blik van ondubbelzinnige tevredenheid trof Hendrik die naast hem stond.

— Roep je moeder. Snel," beval hij, de oogen weer op de in de verte naderenden.

Wolf was niet in het geheim, maar bleef ooit lang iets geheim voor zijn scherpzinnigheid?

— Let op, Janna," ging hij voort. „Daar komt wat niet

alle dagen te zien is: een bruigom De bruigom van onze

jonkvrouw! Als zijn gezicht dat niet vertelde, zou dat van meester Jodocus het doen. Zijn alle banieren en wimpels gaaf? Zij zullen moeten wapperen!"

Jonkvrouw Gonda had Roswitha het te verwachten bezoek meegedeeld.

— Graaf Auersperg, in opdracht van den Keizer, zal eenige dagen op den Valkenburcht doorbrengen. Hij komt, Godlof! niet als oorlogsbode, zooals toen," had zij zonder meer gezegd.

Godelieve had geglimlacht, iets dat zij dikwijls deed in den laatsten tijd.

Zij was nu een heel andere Godelieve, wel altijd geneigd naar het ernstige, maar hoe opgewekt en gul kon zij lachen en opgaan in Roswitha's vroolijkheid!

Graaf Bernsdorff was terug op zijn goederen.

In zijn laatsten brief had hij verteld dat Friedel in Italië

Sluiten