Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was met een last van den Keizer. Friedel had geschreven dat de onridderlijke ridders van den Reichenstein gezien waren in Hongarije. Daar viel te vechten en waren zij buiten bereik van den Keizer.

Friedel zond zijn beste groeten en verzocht zijn oom die ook te willen overbrengen op den Valkenbrucht aan ridder Dagobert en zijn dochter, aan jonkvrouw Hohenberg en aan Godelieve. Hij vermoedde en hoopte dat die laatste daar nog zou zijn.

Hij had zijn bode voor allen geschenken mede gegeven.

Voor ridder Dagobert een Damascener mes voor tafelgebruik met scheede van Corduaansch leder; voor jonkvrouw Gonda een hoofdband; voor Roswitha een halsketen van fijnen Flo-

rentijnschen arbeid Voor Godelieve een beugeltasch met

alles daarin wat tot borduren noodig was, een meesterwerk van Florentijnsche meesterhand, niet alleen beugel en tasch, maar ook wat die bevatte: schaar en speldenstiften, vingerhoed en vingersluif, klossen, naalden en naaldenkoker.

Het was Roswitha voorgekomen of de geschenken aan haar en haar vader en tante daar slechts waren om het geschenk aan Godelieve.

— Ik wou dat de gever in levenden lijve voor ons stond en niet alleen op den muur, hoe mooi je uitbeelding ook is," had zij tot Godelieve gezegd, met een blik naar den heiligen Joris op het hangtapijt tusschen de ramen van de bovenzaal.

Godelieve had het gelaat afgewend.

Godelieves toekomst was een probleem dat Roswitha dikwijls bezig hield en waarin „Friedel" zooals Godelieve hem eens in het verhaal uit haar kindertijd had genoemd, een groote rol speelde.

— Onze gast is in 't gezicht," liet jonkvrouw Gonda weten.

Zij zouden hem in de poortgang begroeten.

Sluiten