Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De beide jonkvrouwen waren er tegelijk met jonkvrouw Gonda en ridder Dagobert. Vader Hubertus was er nog vóór hen.

Wolf was er natuurlijk als hoofd van de wacht.

De donkere poortgang was licht geweest van stralende oogen, beweerde die laatste later.

Daar werd niet veel gezegd.

Een hartelijk woord van welkom, een krachtige handslag van ridder Dagobert, een minder handtastelijke maar daarom niet minder hartelijke begroeting met de jonkvrouwen, en het ging naar de bovenzaal waar een koele dronk na den langen warmen rit werd aangeboden.

Daar was zonneschijn buiten en binnen in de zaal, in de harten en in de oogen. Een stemming van blij verwachten. Iets in de lucht waarvan niemand repte, maar dat leefde en lachte in allen.

Roswitha heel stil, in wonderbare wijding en rust naast tante Gonda, nog in haar de blik waarmede Auersperg haar had begroet.

Al wat achter haar lag voorbereiding....

Zij hoorde weinig van de gesprekken rondom haar.

Gedurende den tijd van scheiding had zij geleefd met hem voor oogen, die haar gedachten tot zich trok.

En nu zij hem had teruggezien, wist zij wat hij haar zou vragen, en dat zij bij hem behoorde. I

Zij slipte weg na het maal, onbemerkt en ongezien en zat neer in jonkvrouw Gonda's tuin. Zij had behoefte alleen te zijn.

In eigen-zelf wilde zij kijken.

— Ben ik die hij in mij ziet? Neen! Maar ik wil

het worden."

Dat waren geen leege klanken maar woorden waarin haar geheele ziel opging en waarbij haar handen zich vouwden.

Over den diepliggenden ingesloten tuin gloeide de avondhemel, wijd en ijl, altijd hooger in zijn klaarheid.

Sluiten