Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de oude man voelt door zijne versuffing heen, dat hij haar kwaad heeft gedaan, groot kwaad, inplaats van goed.

Weer volgen wij het paar op zijn zwerftocht, een tocht van leed en ontbering.

Wel vinden ze ook nu hulpvaardige menschen, die hen een eind op hunne schuit meenemen, en anderen, die hun wat te eten geven, maar ze zijn gedwongen buiten te slapen in den stortregen, als de armsten onder de armen. Eindeloos is hun weg door de modder van eene groote fabrieksstad, waar de menschen hard zijn geworden onder het harde, eentonige werk in sombere gebouwen.

Toch vinden ze ook hier een helper in een ruwen, armen arbeider, die, medelijdend, hen laat slapen bij het vuur van een smeltoven, het eenige wat hij voor hen doen kan.

Deze tocht is het droevigste deel van het boek, maar tegelijk stijgt hier onze bewondering voor het moedige meisje, dat alles zonder klagen verdraagt, kou en honger en vermoeienis, en haar grootvader nog weet te troosten, in al hare ellende gelukkig is, omdat zij hem gered heeft van het vreeselijke.

Met pijnlijke, doorloopen voeten, rillend van koorts sleept ze zich voort, de donkere fabrieksstad uit langs een eindeloozen weg, tot ze weer een dorpje bereiken. Hier, als de oude man en het kind bijna bezwijken van vermoeienis, vinden ze een ouden vriend terug, een dorpsschoolmeester, bij wien ze vroeger een paar dagen geweest zijn.

Deze helpt hen en weet hun een nieuw tehuis te verschaffen in eene oude woning naast de kerk.

Met een zucht van verlichting zien wij de arme zwervers veilig geborgen in eene omgeving van vriendelijke menschen.

Nelly moet het opzicht houden over het oude dorpskerkje

Sluiten