Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Naar Heidorp, mijnheer. En dan..."

„Nou? En dan?"

„Vandaag misschien niet verder."

„ k Zou je aanraden niet over de grens te gaan. Er is wat te doen, waar zulke jongens niet bij hooren. Begrepen?"

De grijze oogen keken streng over het gouden montuur. De andere officier en de chauffeur waren al weer ingestapt. Even schoot het monster uit in razend gesnor. Toen schokte het vooruit en de jongens zagen het in een stofwolk om den volgenden hoek verdwijnen.

Frits keek vragend naar Ko, toen die opstapte. Hij volgde hem maar vroeg toch: „Wat zullen we nou, Ko?"

„Dat zie je. We gaan vast kijken."

„Maar hij zei, dat we 't niet moesten doen."

„Dan is t juist fijn. Snap je 't niet? Ze willen daar iets uitvoeren, dat geen mensch zien mag, en daar moet ik bij wezen."

Snel ging t nu voort en Frits kon niets anders doen dan volgen. Eigenlijk vond hij zich zelf lam, om zoo benauwd te wezen. Kijk die Ko nou! Dat was een kerel. En hij ? Hij was nog niet eens een jongen. — Nijdig trapte hij voort. Met geweld dwong hij z n angst terug en luchtig fluitend reed hij achter Ko aan op het fijne fietspad. De wielen sisten en knapperden zachtjes bij 't verslinden van den weg. Frits spoorde z'n voorwiel aan tot nog

Sluiten