Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de jongens nu hun fietsen voort over de heidesprietjes en de kale plekken zand naar het dichtst bij zijnde boschje.

„Hier door!" commandeerde Ko en ging vooruit. Een open plekje tusschen de kleine boompjes liet de jongens binnen, 't Leek wel of er een pad was, maar telkens stond er weer een boompje in den weg, waarvoor ze moesten uitwijken en de fietsen deden dat erg onbeholpen. De kleine takjes staken naar de indringers en doode takken op den grond en bloot liggende wortels hielden herhaaldelijk voeten en wielen vast.

Bepaald prettig vonden ze den tocht geen van tweeën. — Ko praatte druk en opgewekt en Frits gaf korte antwoorden. „Ja" en „Nou!" En hij zweeg soms heel diepzinnig. Als Ko dan omkeek, gaf hij pas antwoord, net als iemand die lang nagedacht heeft. De ongerustheid groeide bij den een zoowel als den ander, toen ze merkten, dat het bosch grooter was dan ze dachten.

Ze liepen nu al tusschen grootere boomen waar ze wel meer ruimte kregen. Boven hun hoofden zagen ze de lucht door een fijn weefsel van dennenaalden. Maar heel vaak waren de kruinen zoo dicht, dat ze den hemel niet konden zien. De boschgrond was glad van de naalden en soms zoo effen als de vloer in een kerk.

De rechte grauwbruine stammen leken pilaren en de stilte, de diepe stilte, een drukkende stilte,

Sluiten