Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

herinnerde de jongens ook aan de kerk. Als het er maar wat lichter was! Als ze op zij of voor zich maar onbelemmerd den lichten hemel konden zien! — Maar aan alle kanten lijnden de stammen op, als geduchte traliën. Een gevangenis leek hun het bosch en de stilte, de eenzaamheid benauwde beide jongens hoe langer hoe meer.

,,'t Bosch moet toch ergens ophouden," bromde Ko. Hij bleef staan en keek naar links en rechts. Maar 't bleef een troosteloos uitzicht aan iederen kant. Het zwijgende bosch gaf geen antwoord op hun stille vragen. — Frits zuchtte. Hij keek Ko aan, die op z'n nagels beet.

Toen die in de bange oogen van Frits keek begon hij plotseling te lachen.

„Dacht je dat er gevaar was? Kom, ben je mal. — Zoo'n boschje zijn we zoo door. 't Is hier fijn om te fietsen, 'k Ga boompje rijden. Moet j'es kijken!" En toen vertoonde hij een heele serie van kunstjes; reed links en rechts draaiend met een vaartje tusschen dichtstaande boomen door en cirkelde zoo om Frits heen, alsof hij in 't open veld reed. Toen bleef hij opeens naar boven kijken.

„Kijk! Daar zit een snoeper," riep hij.

Frits kwam kijken en zag een eekhoorntje druk aan 't peuzelen. De schubben van jonge denneappels vielen als een regen omlaag. Aan den voet van den boom lag het bezaaid. — Toen het den jongen zag, rende het plotseling weg over de dikke

Sluiten