Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

seling weer in lust en vroolijkheid ademden. Ze moesten het uitschreeuwen onder 't afdalen op den weg en als overwinnaars keken ze om zich heen en omhoog in den lichten dag, dien ze door hun volharding veroverd hadden.

Voor 't eerst, sedert een uur zeker wel, begon Frits weer te babbelen, 't Was wel fijn zoo'n bosch maar een weg was toch fijner. En — hij had wel gedacht dat hier 't eind van 't bosch was.

„Ja, nou je d'r bent," zei Ko rondkijkend. De weg liep langs een aanplanting van eiken hakhout en verder tusschen donkere dennenbosschen. Ko rilde even van die donkere gevangenissen. Hij keek liever naar den anderen kant. Daar lichtten in de verte roggevelden met het gemaaide aan garven staande, en boven een groene haag verhieven zich een paar roode daken op helder witte muren.

„Daar heen!" z^i hij opstappend.

't Was heerlijk zoo snel voort te wielen, na het gesukkel tusschen de boomen. Het hobbelde wel erg en er was heel wat oplettendheid noodig, om in 't spoor te blijven, maar 't ging weer voorwaarts en heel gauw kwamen ze bij 't witte huis.

Ko stelde voor, om hier ergens hun middagmaal te gaan gebruiken.

„En we zouden 't zelf koken, op de hei ergens!"

„Ja, maar we moeten toch water hebben. Of kun jij zóó maar soep koken?" lachte Ko.

„O! Da's waar ook. Zal ik het gaan vragen?"

Sluiten