Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En bovendien bracht de zonderlinge verschijning hem heelemaal in de war. De groote man op klompen leek heelemaal geen boer. Op z'n bol blozend gezicht pronkten zware snorren met zeer lange punten. Terwijl hij Ko lachend aankeek draaide hij de punten één voor één wat op en stond in sierlijke houding tegen de half uitgezakte deur geleund.

„En wat wenschte de jongeheer?"

Ko had verbauwereerd z'n pet even afgezet.

„Zou ik... zou ik hier ergens water kunnen krijgen?" vroeg hij verlegen. Hij keek naar een paar strootjes die uit de verwarde haren van den man kwamen kijken en vroeg zich zelf af: „Wat is dat nou voor een vent?"

„Water? Zooveel als je maar wilt. Wou je 't in je handen mee dragen, of zal ik je m'n klomp leenen? Je wilt natuurlijk potje koken op de hei, he?"

„Ja," lachte Ko. „Maar dan haal ik liever even m'n pannetje." Hij vond den man toch leuk. „Mag ik dan even?"

„Haal je kokerijtje maar hier, jongeheer," zei de puntsnor en liep al met Ko op, onderwijl z'n pijpje stoppend met tabak, die hij los in den zak van z'n witte jasje scheen te dragen.

Ko was al bij z'n fiets en begon het pakje los te peuteren.

„Laat zitten dat zaakje! Breng de heele machine maar mee!" riep de witkiel.

Ko keek vragend op. „Ja maar... ik wou..."

Sluiten