Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren een paar palen te zien, waarop een zoldertje rustte. Daaronder stond met de boomen omhoog een klein karretje en er op lag stroo en hooi, waarin al weer kippen scharrelden.

Door openingen tusschen de pannen was het daglicht te zien en daaraan was het te danken, dat je de dingen in 't schuurtje nog kon herkennen. Want behalve de openstaande deur, was er geen gelegenheid voor 't licht om binnen te komen. In den hoek naast de deur stond een oude roestige kachel scheef op het voetstuk. Ze werd voor omvallen behoed door de roodgebrande pijp, die door een opening in den wand naar buiten stak en daar gesteund werd door een ijzeren ring, een fornuisring leek het wel, in verband met een stel ijzerdraden. Dit wankele stellage eindigde in een doorgebrande en half weggeroeste pijp, die even boven het dak kon uitkijken.

De witgekielde gastheer schoof een hakblok aan en wees naar een bankje tegen den wand.

„Neem plaats, heeren! of verkies je eerst een dutje te doen? Je bedje ligt gespreid," zei hij naar het vlierinkje wijzend.

De jongens vonden het tweede minder uitlokkend dan het eerste. Ze gingen zitten en zeiden, dat ze nog niet zoo erg moe waren.

„Dat mag ik hooren. We zullen dus 't fornuis maar eens aanmaken. Wil u zoo goed zijn.. . hoe heet je?"

Sluiten