Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gele bolletjes, en de zonderlinge vorm van zijn geschilde aardappeltjes maakte ze heel duidelijk herkenbaar.

„Zeg, recruut, jij eet straks je eigen aardappeltjes maar op, hoor!" riep Kees.

„Dan krijgt-ie d'r niet veel van mee," lachte Ko.

„Is dat je tweede aardappel al?"

„M'n vierde," jokte Frits.

„Sta dan maar op; dat is genoeg voor jou. Kijk maar eens in de kachel of d'r nog vuur in is. Misschien kun je het nu wel uithouden in de keet. Maar zorg er voor, dat je d'r niet als een gerookte bokking weer uit komt."

Het kacheltje brandde nu werkelijk vrij behoorlijk. Frits deed er droog hout in en 't snorren van 'toude ding, het lustig knetteren van 't vuur, vergoedde hem heelemaal 't genoegen, dat hij in den kuil had achtergelaten. Hij, vond een bijl en hakte er dunne plankjes en takken mee stuk op het hakblok. De rook hinderde niet meer. Het luchtige dak had goed werk gedaan, en Frits voelde zich hier al beter op z'n gemak dan straks. Onder 't vlierinkje in 't stroo vond hij tot z'n verrassing een paar eieren en in een oude mand nog één. Opgewonden kwam hij met z'n buit aandragen.

„Braaf gedaan, machinist!" prees Kees hem. „Zoek er nog maar een paar."

„Waar lagen ze?" vroeg Ko met groote belangstelling en hield een oogenblik op met villen en snij den.

Sluiten