Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Was een uitgestrekte tuin, die bij 't witte huis scheen te hooren. Een tuin was het eigenlijk niet, want de jongens hadden nog niet gemerkt, waar het eind was. Ze kwamen uit een gedeelte met vruchtboomen en schuurtjes in een ander, dat haast op een weide leek, maar 't gras was er kort en dor en de grond oneffen als een heideveld. Dan liepen ze weer door een dennenboschje en verder langs een veld waar zware tronken van eikenhakhout met wortel en al uit het witte zand gegraven waren. „Hier gaan ze weer een stuk ontginnen," verklaarde Ko.

„Ontginnen?"

„Ja. Ze willen hier weer bouwgrond van maken."

„Wie doen dat nou eigenlijk hier? Die Kees toch niet alleen?"

Ze klauterden over een paar groote denneboomen, die pas geveld, naast elkaar lagen. Ko ging er op zitten, even in gedachten.

,,'t Is hier toch een rare boel," zei hij bedenkelijk.

„Hoe zoo?" kwam Frits wat ongerust.

„Nou, dat je hier niemand ziet dan Kees. En alles is gesloten in 't huis, en... 't is hier toch een plaats waar menschen moeten werken."

,,'k Heb straks een koe gehoord," zei Frits geruststellend. „En ... ze zijn zeker allemaal naar huis om te eten."

„Welk huis?"

„Nou, daar staat immers nog een huisje, waar Kees de aardappels gehaald heeft."

Sluiten