Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ga mee es kijken!"

Ze liepen terug en kwamen nu uit aan den achterkant van t huisje, dat het groote toegangspad afsloot. Ja, daar was een stal, maar ze hoorden er niets. De jongens liepen om 't huisje heen en stonden voor de geopende deur.

Ze hoorden zacht hoesten binnen en keken elkaar tevreden aan.

„Ben je daar?" klonk een bevende stem. De jongens stonden verlegen en wilden al vlug en stilletjes weggaan.

„Ben je daar ? Laat me toch niet zoo lang alleen!" t Was de stem van een ouden man, maar 't werd gezegd op den toon van een verwend kind.

„Kees dan toch!" klonk het nu klagend en dringend.

Ko kon zich niet langer bedwingen. Eensklaps besloten, stapte hij naar binnen, en keek om een soort van houten schutting, die, bij wijze van tochtscherm, naast de deuropening was geplaatst.

Daar zat in een grooten stoel met den rug naar 't raam een oude man. Het vermagerde hoofd keerde zich moeilijk naar de deur en de vreemd starende oogen bleven een oogenblik met schrik gevestigd op de jonge gezichten, die om 't hoekje keken. Toen hieven de beenige handen zich hulpeloos even van de leuningen en de tandelooze mond opende zich om te roepen: „Kees! Kees!"

De jongens verbleekten van 't angstig roepen. Maar Ko dwong zich om nog even te blijven.

Sluiten