Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De oude begon toen weer: ,,'k Ben hier veertig jaar knecht geweest. M'n zoon niet, Kees niet. Die had geen trek in 't boerenwerk. Is in de Oost geweest, bij 't soldatenvolk."

Ko keek Frits aan en ze knikten elkaar, begrijpend toe.

„Gepensioneerd is-ie nou. — Een beste jongen; laat z'n vader nooit alleen... Nou is 't oorlog zeggen ze. Kees is d'r niet bang voor. Ze zullen een oude man niks doen, hè?"

Toen keken de oogen weer vragend naar de jongens. „Hoe ver is 't nou al met de oorlog?"

Ko haalde z'n schouders op. Frits trok hem angstig aan z'n bloes.

„'k Weet niet," zei Ko. „Is er dan oorlog?" Ze herinnerden zich beiden de waarschuwing van de officieren, en de soldaten op de hei.

„Zeker, 't is oorlog. Allemaal zijn ze weg. Ik durf wel. Ha!"

De oude man deed toch erg vreemd, 't Zou wel niet zoo wezen, stelden de jongens zich gerust.

VII. HET GEVAAR.

Buiten stompten zware klompen op het straatje voor de deur. Toen stond de witkiel op z'n kousen al achter de jongens.

Sluiten