Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Jullie bent bij me op bezoek geweest en ik ben je oom, begrepen? Je kunt nooit weten of we soms aangehouden worden. Dan zijn de heeren altijd erg nieuwsgierig."

Ze stonden nog voor 't lage hekje en zouden juist opstappen, toen er een hevig gekakel van achter uit den tuin klonk. Een onbestemd rumoer drong tot hen door; luide stemmen en gelach en zelfs snuiven en brieschen van paarden meenden ze te hooren.

„Zoo, daar zal je de heeren al hebben," zei Kees. We zullen de reis nog even moeten uitstellen jongens. Wacht me bij de schuur!"

Snel sprong hij op z'n fiets en rende het tuinpad af naar het kleine huisje.

VIII. VAN MENSCHEN EN SOLDATEN.

't Was hoog tijd, dat hij kwam.

Bij 't kleine huisje was een afdeeling soldaten gelegerd, maar niet de Nederlandsche, die hij verwachtte. Over de hei en dwars door de akkers waren de Duitsche uhlanen op dit huisje afgekomen, en ze lieten hun paarden nu grazen op het bleekveldje achter 't huis. Kees telde een twaalftal paarden. De manschappen liepen hier en daar in den

Sluiten