Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Achterdochtig keek de jonge officier naar de groote gestalte, die zich juist over den kruiwagen boog om den zak er af te tillen.

„U moet de deur openen!" gebood de officier, peuterend aan de dunne haartjes op de bovenlip.

Kees richtte zich op en draaide aan z'n geweldige snorren, tot de punten als dreigende dolken uitstaken.

„Ik moet niets, meneer de luitenant !"zei hij rustig.

Toen commandeerde de officier een paar mannen, de deur met geweld te openen.

„Halt! Een oogenblikje, manschappen!" klonk het nu forsch. Onwillekeurig bleven de soldaten staan.

Kees greep naar z n jas en bracht er een opgevouwen kaart uit te voorschijn, die hij daar blijkbaar gereed gehouden had. Hij duidde den officier er iets aan en deze vergeleek de kaart met de zijne. De omstanders keken zwijgend toe en zagen den officier bij herhaling knikken en toestemmen. Daarop gingen de beiden tot achter de schuur, waar Kees een paal aanwees.

Ko en Frits hadden met aandacht elke beweging der mannen gevolgd. Toen herinnerden ze zich, wat Kees verteld had van de grenslijn en Ko doorzag opeens de bedoelingen van Kees. Bedrijvig kwam hij nu toeloopen en keek met leedvermaak uit naar de figuur, die het officiertje zou maken.

Het verraste hem dus, toen hij dezen plotseling

Sluiten