Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja, de menschen zijn goed genoeg ; maar je weet niet wat ze soms doen moeten..."

Dat begreep Frits niet. „Als je nou toch met goede menschen te doen had..."

Kees had nog een karweitje. De jongens moesten hem helpen een paar ijzerdraden spannen dwars door den tuin, achter de schuur. Daarvoor plaatsten ze stukken gaas, een paar rietmatten en alles wat den toegang voor de kippen kon afsluiten.

Een paar meters verder stonden nu twee soldaten als schildwachten.

„Mag je nu niet meer naar 't huisje met den ouden man?"

„Wel zeker! En 'k denk ook niet, dat onze gasten hier lang zullen blijven. De gelegenheid zal hun hier nu niet meevallen."

„We geven ze niets van ons eten mee," zei Ko. ,,'t Zijn vijanden immers?"

Kees lachte.

„Van ons eten? Bedoel je de maggitabletten en je rijst met water?"

Neen, dat bedoelde Ko natuurlijk niet. Hij lachte verlegen om z'n vergissing. „Maar ... Geeft u ze nog te eten?"

„Ten eerste zijn het onze vijanden niet. En als die menschen nu honger hebben, 't Zijn fatsoenlijke lui en waarom zouden we ze niet te vriend houden?"

„Dan hadden we de kippen ook wel kunnen

Sluiten