Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ha, daar heb je ze! Daar zijn de onzen!"

En jawel. Een viertal Hollandsche huzaren in de bekende blauwe uniformen waren pas aangekomen. De paarden snoven en brieschten en zwaaiden de koppen, nog opgewonden van den snellen rit door t mulle zand van den heiweg. De mannen klopten de dieren op den hals en keken onderwijl nieuwsgierig in den tuin. Kees scheen op den uitkijk gestaan te hebben. Hij was al aan 't hek en begroette den wachtmeester, die de patrouille leidde. — De jongens kwamen verheugd aangeloopen en hoorden nog juist, dat die twee elkander als oude kennissen herkenden.

„Wel, Kees, ouwe Kees, ben jij 't jongen?"

„Heelemaal Pruis, heelemaal. Je hebt me zeker niet hier verwacht?"

„Weineen! Hebben de zwartjes je naar huis gestuurd met een blauwe boon of zoo?"

Kees lachte en hield het paard bij den teugel vast terwijl hij t over den kop streelde.

„Neen, jong! Maar kom binnen met je mannen, 'k Heb werk voor je."

De mannen stegen af en leidden hun paarden tot achter het woonhuis.

„Das dan maar drommels toevallig, zeg, Kees!"

De wachtmeester liep nog vol verbazing naar z'n vriend te kijken en streek onderwijl als in gedachten zn snorren op. De jongens zagen werkelijk wel eenige overeenkomst in hem met de Duitschers.

Sluiten