Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De voorhoede was ginds in den strijd met de verdedigers van het landje, 't Was een hopelooze strijd, dat wist Kees en 't gezicht van dien eindeloozen stoet deed hem zuchten.

Plotseling wendde hij zich naar de verbijsterde jongens. „Mooi, hè? vroeg hij. Maar z'n toon was niet opgewekt en de jongens antwoordden slechts door hem aan te kijken.

„Kunnen we daar niet bij komen?" vroeg Frits moedig.

„Moeten we ook langs die weg?" zei Ko, nu vastberaden zijn flets rechtzettend.

„Ja, maar we zijn er nog niet. Nu voorzichtig voort gereden en goed acht geven op de bosschen. Als je aangeroepen wordt dadelijk afstappen."

„Wie zal ons nou aanroepen?" vroeg Ko. „De troepen trekken daar toch voorbij."

Kees was al vooruit en wees naar de bosschen aan hun rechterhand.

Daar was beweging. Langs een zijpad kwamen eenige wielrijders, 't geweer dwars op den rug in snelle vaart aangereden. Ze wenkten onze reizigers • om halt te houden en onmiddellijk voldeden die er aan. — Langs een ander pad reden uhlanen met de kleine vaantjes wapperend aan de lange stokken, zoekend en speurend voort. Het voorbijtrekkende leger werd wel beveiligd; een verborgen vijand zou hier zeker opgespoord worden, vóór hij de troepen kon verrassen.

Sluiten