Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Is 't hier?'' vroeg Kees. Ko knikte en beet zich op de lippen. — Ze keken rond of er ook iemand was, die inlichtingen kon geven.

Nergens was iemand te ontdekken en Kees vroeg, of Ko nog graag wat van z'n kennissen wilde weten. Ja, 't waren zulke goede menschen, buren van hen van vroeger. Hij had er zich zooveel van voorgesteld om ze weer te zien, te verrassen. Nu zouden ze wel gevlucht zijn, maar waarom waren hier juist een rij huisjes vernield? Ze konden het niet te weten komen.

Kees zette z'n fiets tegen 't hek en de jongens deden 't ook. Toen liepen ze over de puinhoopen rond en kwamen aan de staldeur. Deze was gesloten. Kees rammelde er aan en toen hoorden ze een hevigen gil.

„Is daar iemand?" vroeg Kees.

Een oogenblik bleef het stil, maar toen hoorden ze een sluitboom afnemen. De deur ging open en ze zagen in een bleek vrouwengezicht, waaruit een paar groote oogen hen angstig aanstaarden.

„Kan ik u helpen?" vroeg de groote Kees met den weeken klank in z'n stem, dien de jongens een enkelen keer gehoord hadden.

„Och! och!" barstte de vrouw uit, „asjeblieft! help me toch! 't Is zoo vreeselijk, zoo..."

Toen zagen de bezoekers pas, dat de ongelukkige vrouw een kind droeg in een doek gewikkeld. Ko stond huilend voor haar, riep haar naam en

Sluiten