Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor niets Heidorp bereikt hebben, en deze ongelukkige vrouw moest in veiligheid gebracht worden. Zij en Kees waren er voor gekomen, moesten ze maar denken. — Zooiets overlegde Ko, terwijl hij op de boomen van 't wagentje z'n brood zat te eten. Frits zat bij 't kindje, dat in een hoekje van den wagen op wat hooi was gelegd. Hij keek naar het aardig spelen der kleine vingertjes. Het wist van geen gevaar of ellende en lachte maar en kraaide tegen den jongen, die zijn vinger uitstak om er naar te laten grijpen. Wat zou z'n moe blij wezen, als hij zoon kindje mee thuis bracht!

Maar waar moesten ze met paard en wagen blijven ? Hij vroeg het aan Kees, die 't paard kwam inspannen.

„Dat neem ik mee," zei Kees en keek naar de vrouw.

„Ja, 't kan mij niets schelen, waar 't blijft," zei ze. „Alles is toch weg."

Toen vertelde Kees, dat hij niet zoo ver uit de buurt woonde en voor alles goed zou zorgen.

„Ge moogt het houden," zei de vrouw moedeloos. „Anders neemt het een ander, en u hebt het verdiend."

„Maar er komen weer andere dagen," troostte Kees, „zóó blijft het hier niet."

„Nee, 't kan niet veranderen; alles is weg, alles... alles!" En weer begon ze te schreien.

Kees keek er één oogenblik naar. Toen keerde hij zich om en maakte de laatste toebereidselen.

Sluiten