Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij zou 't weten, hèm kon ze vertrouwen. En Kees waagde het niet, zelfs ook maar een twijfelend antwoord te geven.

„O, stellig," zei hij tegen beter weten in en legde weer de zweep over 't paard.

Voort ratelde het wagentje.

Nooit had Kees zooveel voldoening van een onwaarheid gehad. Het vrouwtje naast hem begon te vertellen van 't geen er gebeurd was. Haar goeie man zou geen kip kwaad kunnen doen, laat staan op een mensch schieten. Maar daar hadden die vreemde soldaten niet naar gevraagd. Allemaal moesten ze mee, uit de heele straat; waarheen, dat wist ze niet. Toen moesten alle menschen er uit en de muren werden stuk geschoten en ze was achter in den tuin gevlucht — en veel later had ze zich in den stal opgesloten.

Ze schreide weer onder 't vertellen, maar droogde vlug de tranen en vroeg weer, om het nog eens te hooren, „of ze haar man geen kwaad zouden doen?" En weer zei Kees beslist: „Ze kunnen hem immers niets bewijzen." Alsof hij niet beter wist. In oorlogstijd wordt er zoo weinig bewezen; dan heerscht het geweld en voor „recht" is dikwijls geen tijd. — Somber keek hij vóór zich.

't Werd al donker tusschen de heuvels. Onder het dichte geboomte reden ze al haast in 't duister. Aan 't eind van den weg, waar de avondschemering nog door 't geboomte lichtte, zagen ze gestalten

Sluiten