Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dezen oorlog. Maar hij was erg bang, dat die niet lang genoeg zou duren. Ze gingen nu regelrecht op Parijs aan.

Kees knikte: „Ja wel,'' en deed alsof het hem erg interesseerde. Hij wachtte zich wel, om iets te vragen of te doen wat de opmerkzaamheid van iemand zou trekken. Hij bleef rustig zitten en geeuwde van verveling.

Het pratende groepje soldaten kwam plotseling naderbij. Ze inspecteerden den wagen opnieuw en zochten zelfs er onder. Toen trokken ze weer druk pratend af. Ze schenen één hunner uit te lachen.

„Nou, de kerel had er toch wel onder kunnen zijn?" verdedigde deze zich.

„Ach, wat dom! 't Is toch geen worst of een mandje." — De blonde kerels lachten luid om den inval. Kees begreep er uit, dat er iemand ontvlucht moest zijn. Het brandde hem op de lippen, iets te vragen; maar hij bedwong zich. Zijn zorgen waren al groot genoeg, 't Werd hoog tijd, dat ze voortkwamen.

XIV. NAAR HUIS.

Eindelijk ontstond er beweging om de groote tafel in de gelagkamer. De kapitein kwam buiten om een luchtje te scheppen. De hooge gestalte stond breed en donker in 't licht van de deuropening.

Sluiten