Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hadden, die dit vreeselijks hadden moeten doen. — Toen de man zweeg, was het even stil.

Buiten kraakte en hotste een wagen door de karresporen, en er klonk een gefloten signaal, dat den Pruis deed opspringen.

„Da's Kees! Hij kent z'n fluitje nog."

De heele bezetting trok er op af en binnen een paar minuten waren ze al terug met Kees, die vermoeid op een stoel neerviel. Hij greep de magere hand, die hem toegestoken werd.

„En...?" vroegen alle gezichten.

„'k Ben een beetje moe, maar 't is de moeite waard geweest, 'k Heb in Heidorp een fijn karretje en een paardje buit gemaakt, een vrouw en een kind over de grens geholpen, en de jongens zullen nou ook veilig thuis zijn..."

„Heidorp?" vroeg de vreemde man, dien Kees nu pas opmerkte.

„Ja, vooraan; aan den weg."

De man stond op, bleek en bevend.

„En... stond er een naam op ... op de wagen?" Hij greep Kees bij den schouder in hooge spanning.

„Ja... Laat zien... Haar, van Haren of zoo iets... Ga maar..."

„Ik heet „Verharen"," bracht de man uit.

„Kerel, dan is 't jouw stelletje. En je vrouw en kind zijn in veiligheid..."

De man viel Kees schreiend om den hals. Krachtige handen drukten de zijne. Er was een vreemde

Sluiten