Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Michael Strogoff kon niet nalaten te glimlachen over de benaming die men hem gaf, aan hem die voor spionnen in 't bijzonder bevreesd was.

' Maar in dezelfde taal, hoewel de uitspraak van den spreker, zeer verschillend was van die der vrouw, antwoordde de zigeuner met eenige woorden die beteekenden:

„Gij hebt gelijk, Sangarre! morgen zijn wij toch vertrokken!"

„Morgen?" hernam de vrouw zeer zacht op een toon, die eene zekere verwondering aanduidde.

„Ja, Sangarre," antwoordde de zigeuner, „morgen, en het is de Vader zelf, die ons zendt, waar wij willen heengaan!"

Daarop gingen man en vrouw de tent binnen, waarvan de deur zorgvuldig gesloten werd.

„Mooi!" zeide Strogoff, „indien deze zigeuners niet begrepen willen worden, wanneer zij onder elkander spreken, raad ik hun aan zich van eene andere taal te bedienen."

In zijne hoedanigheid van Siberiër en door zijne kindsheid in de steppen doorgebracht te hebben, verstond Michael Strogoff bijna al de tongvallen, in zwang van Tartarije tot aan de IJszee.

Wat de juiste beteekenis betreft der woorden tusschen den zigeuner en zijne vrouw gewisseld, daar brak hij zijn hoofd niet mee. In hoever kon dit hem ook belang inboezemen?

Daar het reeds vrij laat was dacht hij er over om naar zijn logement terug te keeren, teneinde daar eenige rust te nemen. Hij stond op en volgde 'den loop der Wolga, waarvan de wateren verdwenen onder de sombere massa van ontelbare schepen. De richting van de rivier deed hem de plaats herkennen die hij verlaten had. Deze opeenhooping van karren en van tenten nam juist het uitgestrekte plein in, waar elk jaar de voornaamste jaarmarkt van Nijni-Novgorod gehouden werd, — hetgeen de verzameling, hier ter plaatse, van goochelaars en zigeuners, uit alle hoeken der wereld toegestroomd, ophelderde.

Michael Strogoff sliep een uur daarna eenigszins onrustig op een van die Russische bedden die de vreemdelingen zoo hard vinden, en den volgenden morgen, 17 Juli ontwaakte hij toen het reeds lang dag was. Nog vijf uren te,Novgorod te moeten doorbrengen, dat scheen hem eene eeuw toe. Wat kon hij uitvoeren om dezen morgen klein te krijgen, niets anders dan even als den vorigen dag door de straten van de stad te gaan dwalen.

Na ontbeten, zijn reiszak toegemaakt te hebben en zijn podaroshna aan het politiebureau te hebben laten afteekenen, zou niets hem belet hebben om te vertrekken. Maar er de man niet naar zijnde om na zonsopgang op te staan, verliet hij zijn bed, kleedde zich aan en verborg zeer zorgvuldig den brief met het keizerlijke wapen in een zak, die in de voering van zijne tunica gemaakt was, en waarover hij zijn gordel vastmaakte; vervolgens sloot hij zijn

Sluiten