Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zooals het eiken flinken jager betaamt. Zij waren aan land gegaan en hadden zich onder de menigte begeven, elk zijn eigen weg nemende. Michael Strogoff bemerkte aan den eenen kant Harrv Blount, met zijn zakboekje in de hand, eenige typen schetsende en eenige opmerkingen aanteekenende; aan den anderen kant Alcide Jolivet, zich tevreden stellende met praten en rekenende op zijn geheugen, dat niets kon vergeten. Langs de geheele oostelijke grens van Rusland liep het gerucht dat de opstand en de inval eene geduchte uitbreiding hadden aangenomen. Het verkeer tusschen Siberië en het rijk was reeds uiterst moeilijk. Dat hoorde Strogoff, die het dek niet verlaten had, van de nieuw aangekomen passagiers.

Deze gesprekken veroorzaakten hem eene wezenlijke ongerustheid, en wekten het dringend verlangen bij hem op aan gene zijde van den Oeral te zijn, om zelf over de ernstige gebeurtenissen te oordeelen en tegen elk mogelijk ongeval maatregelen te nemen. Hij scheen op het punt te zijn aan een of ander inwoner van Kazan juister inlichtingen te vragen, toen zijne aandacht opeens werd afgeleid.

Onder de reizigers, die de Kaukasus verlieten, herkende Michael Strogoff den troep Zigeuners, die zich den vorigen dag nog op het jaarmarktplein te Nijni-Novgorod bevonden. Daar op het dek der stoomboot bevonden zich de oude heiden en de vrouw, die hem voor een spion had uitgemaakt. Met hem ontscheepten een twintigtal danseressen en zangeressen, in oude dekens gewikkeld, die hunne met klatergoud belegde jurken bedekten en waarschijnlijk onder het bestuur van den ouden Zigeuner stonden.

Michael Strogoff twijfelde er nu niet meer aan dat het gesprek, dat hem rechtstreeks betrof, uit dien troep voortgekomen en gevoerd was tusschen den ouden Zigeuner en de vrouw, die hij den Mongoolschen naam van Sangarre gegeven had.

Michael Strogoff naderde door eene onwillekeurige beweging de trap van de stoomboot, op het oogenblik dat de heidens haar zouden verlaten.

De oude heiden stond daar, in eene nederige houding, die weinig overeenkwam met de onbeschaamdheid, aan zijne stamgenooten eigen. Men zou gezegd hebben dat hij eerder de blikken zocht te vermijden, dan ze tot zich te trekken. Zijn ellendige hoed, geheel verbrand door de zon, was diep over zijn oogen getrokken. Zijn breede gewelfde rug rondde zich af onder een ouden kiel, waarin hij zich, in weerwil van de hitte, dicht had gewikkeld. Het ware moeielijk geweest onder dit ellendig toetakelsel over zijn lichaamsbouw en gelaat te oordeelen. Bij hem stond, in eene prachtige houding, de Zigeunsche Sangarre, eene vrouw van dertig jaar, bruin van vel, groot van gestalte, met prachtige oogen en goudgeel haar.

Sluiten