Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

's Avonds aankomende, vroeg Michael Strogoff, als door eene soort van instinct gedreven, aan den postmeester: hoe laat het rijtuig, dat hem voorafging, de pleisterplaats verlaten had.

„Twee uren geleden," antwoordde de postmeester.

„Het is eene berline?" *

„Neen, eene telega."

„Hoeveel reizigers?"

„Twee."

„En rijden zij snel?"

„Het zijn arenden!"

„Dat men spoedig inspanne."

Michael Strogoff en Nadia besloten geen uur op te houden, en reisden den geheelen nacht door.

Het bleef mooi weer, doch de lucht werd langzamerhand drukkender en men vreesde voor een onweder, dat in de bergen altijd verschrikkelijk is.

De nacht liep evenwel goed af. Ondanks het stooten van de tarentass, kon Nadia eenige uren slapen. De half opgezette kap liet toe om de weinige lucht in te ademen, waarnaar de longen zoozeer verlangden in den verstikkenden dampkring.

Michael Strogoff bleef den geheelen nacht wakker, daar hij de iemschiks niet vertrouwde, die dikwijls op den bok in slaap vallen.

Den volgenden dag, 20 J uli, tegen acht uur in den morgen, werd het Oeral-gebergte in het oosten zichtbaar.

Gedurende dien dag bleef de lucht onophoudelijk betrokken, en de luchtgesteldheid was daardoor een weinig draaglijker, maar het weer was schrikkelijk stormachtig.

Misschien ware het voorzichtiger geweest, zich niet midden in den nacht in het gebergte te wagen, en dat zou Michael Strogoff gedaan hebben, indien hij had kunnen wachten; maar toen de postiljon van de laatste wisselplaats hem op het naderen van het onweer opmerkzaam maakte, vergenoegde hij met te zeggen:

„Eene telega is ons nog altijd vooruit?"

»Ja-"

„Hoeveel is zij ons vooruit?"

„Ongeveer een uur."

„Vooruit dan, en eene driedubbele fooi, indien wij morgenochtend te Ekaterinenburg zijn!"

Sluiten