Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het bosch op den grond liggen om te zien met welke lieden hij te doen had.

Nauwelijks had hij achter een groep pijnboomen plaats genomen of hij zag eenige lichten flikkeren.

„Toortsen!" zeide hij tot zichzelf.

En hij kroop opeens, als een wilde, achter het kreupelhout weg.

Hoe meer de ruiters het bosch naderden, hoe duidelijker en hoe langzamer ook het getrappel hunner paarden begon te worden. Zouden die ruiters den weg verlichten met het oogmerk er de minste bochten van te onderzoeken?

Michael Strogoff vreesdè het, en instinctmatig sloop hij naar den kant van het stroompje dat achter het boschje liep, gereed om er in te springen, als het noodig was.

Aan het kreupelhout gekomen, hield de afdeeling stil. De ruiters stegen af. Zij waren ongeveer vijftig in getal. Een tiental van hen droegen toortsen.

Aan eenige toebereidselen zag Michael Strogoff, dat de afdeeling er gelukkig geenszins aan dacht om het kreupelhout te onderzoeken, maar dat ze op de plaats wilde bivakkeeren, om de paarden te laten rusten en aan de manschappen eenig voedsel te laten gebruiken.

Inderdaad begonnen de paarden te grazen en ds ruiters strekten zich langs den weg uit en verdeelden den voorraad uit hunne ransels onder elkander.

Michael Strogoff had zijne tegenwoordigheid van geest behouden, en tusschen het hooge gras sluipende, zocht hij te zien en te hooren.

Het was eene afdeeling, die van Omsk kwam. Zij was samengesteld uit usbecksche ruiters, het heerschend ras in Tartarije, en wier type veel overeenkomst heeft met dat der Mongolen. Deze lieden, goed gebouwd, van eene meer dan middelmatige gestalte en met een ruw en woest gelaat, hadden, als hoofddeksel, de talpak, een soort van muts van zwart schapevel, en als schoeisel, gele laarzen met hooge hakken en punten. Hun pels van gewatteerd sits was om het lijf gesloten door een rood gestikten lederen gordel. Zij waren gewapend met een schild, een krommen sabel en een vuursteengeweer, aan den zadelknop hangende. Over hunne schouders hing een vilten, opzichtig gekleurde mantel.

Deze afdeeling werd aangevoerd door een pendj a-baschi, dat wil zeggen een commandant over vijftig man, hebbende onder zich een d e h-b a s c h i, of commandant van tien man. Deze beide officieren droegen een helm en een maliënkolder ; trompetjes, aan den zadelknop bevestigd, waren het onderscheidingsteeken van hun graad.

De pendj a-b a s c h i had zijne manschappen laten uitrusten, die door een langei) marsch zeer vermoeid waren. Al pratende en en den beng ronkende, zijnde het hennepblad dat de grondstof van den h a s c h i s c h" uitmaakt, waarvan de Aziaten zooveel

Sluiten