Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik wil geen hinderpaal op uwe reis zijn! Uw vader wacht u te Irkoetsk. Gij moet zorgen dat gij bij hem komt!"

„Mijn vader zou mij vervloeken, Michael, zoo ik u verliet, na al hetgeen gij voor mij gedaan hebt!"

„Nadia! Nadia!" antwoordde Michael Strogoff, de hand van het meisje, die zij in de zijne gelegd had, drukkende, „gij moet alleen aan uw vader denken."

„Michael," hernam Nadia, „gij hebt mij meer noodig dan mijn vader! Zoudt gij dan de reis naar Irkoetsk willen opgeven?"

„Nooit!" riep Michael Strogoff uit op een toon, die bewees dat hij niets van zijn geestkracht verloren had.

„Maar, gij hebt dien brief niet meer!...."

„Dien brief mij door Ivan Ogareff ontstolen!.... Welnu! daar kan ik buiten, Nadia! Zij hebben mij als een spion behandeld! Ik zal nu als een spion handelen! Ik zal te Irkoetsk gaan vertellen wat ik gezien en wat ik gehoord heb en, bij den levenden God, zweer ik, dat de verrader mij nog eenmaal van aangezicht tot aangezicht zal zien! Maar ik moet vóór hem te Irkoetsk aankomen!"

„En gij spreekt van scheiden, Michael?"

„Nadia, de ellendelingen hebben mij van alles beroofd!"

„Mij blijven nog eenige roebels en mijne oogen over! Ik kan voor u zien, Michael, en u geleiden daar, waar gij alleen niet meer zoudt kunnen komen!"

„En hoe zullen wij gaan?"

„Te voet.'

„En hoe zullen wij aan den kost komen?"

„Al bedelend."

„Laat ons dan gaan, Nadia!"

„Kom mee, Michael,"

De jonge lieden noemden elkander niet langer broeder en zuster. In hunne gemeenschappelijke armoede, gevoelden zij zich nauwer aan elkander verbonden. Beiden verlieten het huis, na een uur rust te hebben genomen. De straten van het vlek^afloopende, had Nadia zich eenige stukken „tchornekhleb," eene soort van gerstebrood en een weinig mee, in Rusland bekend onder den naam van „m e o d," verschaft. Het had haar niets gekost, want zij had haar beroep van bedelares ingewijd. Het brood en de mee hadden, zoo goed mogelijk, den honger en den dorst van Michael Strogoff gestild. Nadia had voor hem het grootste deel van die onvoldoende voeding afgezonderd. Hij at de stukken brood op die zijne gezellin hem, het eene na het andere, aanbood. Hij dronk uit de kalebas, die zij aan zijne lippen bracht.

„Eet gij wel, Nadia?" vroeg hij verscheidene malen.

„Ja zeker, Michael," antwoordde het meisje steeds, terwijl het zich vergenoegde met hetgeen haar makker overliet.

Michael en Nadia verlieten Semilowskoë en hernamen den moeie-

Sluiten