Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik heet Nikolaas Pigassoff."

„Dat is een naam dien ik nimmer zal vergeten," antwoordde Michael Strogoff.

„Welnu, blind vadertje, stap in. Uwe zuster kan bij u, achter in de kar zitten; ik blijf voorop om te besturen. Er ligt goede berkenschors en gerstestroo op den grond. Het is een waar nestje. Komaan Serko, maak plaats voor ons!"

De hond, van Siberisch ras, sprong dadelijk op den grond.

Michael Strogoff en Nadia waren aanstonds op hun gemak in de kibitka. Michael Strogoff strekte zijne handen naar die van Nikolaas Pigassoff uit.

„Gij wilt mijne handen drukken!" zeide Nikolaas. „Hier zijn ze, vadertje, en druk ze zoolang ge er lust in hebt!"

De kibitka ging naar Michael Strogoff's zin te langzaam voorwaarts maar-Nadia ondervond zooveel te minder vermoeienis.

Door het schommelen der kibitka viel zij spoedig in een diepen slaap. Michael Strogoff en Nikolaas legerden zich zoo goed mogelijk op het berkenloof en zoo Michael Strogoff geen traan van dankbaarheid liet, kwam dit omdat het gloeiende ijzer den laatst en verschroeid had. '

„Wat is zij lief," zeide Nikolaas.

„Ja," antwoordde Michael Strogoff.

„Dat wil sterk zijn, vadertje; maar hoe moedig ook, zijn die lievertjes toch zwak! Komt ge verweg?"

„Zeer ver."

„Arme jongelieden! Dat uitbranden uwer oogen moet zeer smartelijk zijn geweest!"

„Zeer smartelijk," antwoordde Michael Strogoff, terwijl hij zich naar Nikolaas wendde.

„Hebt gij niet geweend?"

„Zeker."

„Ik zou ook geweend hebben, bij de gedachte van zijne geliefden niet meer te kunnen aanschouwen! Maar zij zien u toch. Dat is wellicht een troost.

„Ja, misschien! Zeg eens vriend," vroeg Michael Strogoff, „hebt gij mij nooit ergens anders gezien?"

„U, vadertje? Neen nooit."

„Uwe stem komt mij toch niet onbekend voor."

„Kijk eens aan!" antwoordde Nikolaas glimlachend. „Hij kent den klank mijner stem. Vraagt gij het misschien om te weten waar ik vandaan kom? Welnu, ik kom van Kolivan."

„Van Kolivan?" zeide Michael Strogoff. „Maar dan heb ik u daar ontmoet. Waart gij op het telegraafkantoor?"

„Dat kan wel," antwoordde Nikolaas. „Ik woonde er. Ik was de beambte met het overseinen belast."

„En gij zijt tot op het laatste oogenblik op uw post gebleven?"

Sluiten