Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wel, juist dan moet men tegenwoordig zijn!"

,»Het was op een dag toen een Engelschman en een Franschman elkander, de handen met roebels gevuld, de plaats aan uw raampje betwistten; terwijl de Engelschman de eerste verzen uit den Bijbel telegrapheerde."

„Dat is wel mogelijk, vadertje, maar ik herinner het mij niet!"

„Wat! gij herinnert u dat niet?"

,,Ik lees nooit de dépêches die ik oversein. Daar het mijn plicht is die te vergeten, is het de kortste weg ze niet te weten."

Dit antwoord bevatte het beeld van Nikolaas Pigassoff.

Intusschen ging de kibitka langzaam vooruit. Het paard liep drie uur en had dan een uur rust; dit ging zoo dag en nacht. Gedurende de halten graasde het paard en gebruikten de reizigers wat, in gezelschap van den trouwen Serko.

Na een dag rust, was Nadia weer wat versterkt. Nikolaas droeg zorg dat zij het zoo goed mogelijk had. De reis werd langzaam, maar geregeld voortgezet. Des nachts echter, als Nikolaas den slaap des rechtvaardigen sliep, had men kunnen bespeuren hoe Michael Strogoff zich van de teugels meester maakte en hoe de stap van het paard in den draf overging. En al werd de stap bij het ontwaken van Nikolaas hernomen, er was toch menige werst meer afgelegd dan de aangenomen snelheid toeliet.

Zoo trok men over de rivier van Ichimsk, door de vlekken Ichimskoë, Berikilskoë, Küskoë, de rivier Mariinsk, het vlek van dienzelfden naam, Rogostowskoë en eindelijk door de Tchoela, een stroompje dat West-Siberië van oostelijk Siberië scheidt.

Alles, langs dien weg, was verlaten. De vlekken waren bijna geheel onbewoond. De boeren waren over de Jeniseï gevlucht, in de hoop dat deze breede stroom de Tartaren wellicht zou tegenhouden.

Den 22en Augustus bereikte de kibitka het stadje Atchinsk, op drie honderd tachtig wersten van Tomsk. Honderd twintig wersten scheidden haar nog van Krasnoïarsk. Er was niets bijzonders onder weg voorgevallen.

Michael Strogoff had, om zoo te zeggen, het doorreisde land door de oogen van Nikolaas en van het meisje gezien. Beurtelings hadden zij hem alles, waar de kibitka langs ging, medegedeeld en bij die gelegenheid bleek Nikolaas een onderhoudend verteller te zijn.

Eens vroeg Michael Strogoff hem, welk weer het was.

„Wel genoeg, vadertje," antwoordde hij, „maar het zijn de laatste zomersche dagen. De herfst duurt maar kort in Siberië en weldra zullen wij de eerste winterkou gevoelen. Misschien dat de Tartaren er wel over denken om de winterkwartieren te betrekken."

Michael Strogoff schudde, twijfelend, het hoofd.

„Gij denkt het niet, vadertje," antwoordde Nikolaas. „Gij gelooft dat ze naar Irkoetsk zullen oprukken?"

„Ik vrees het," antwoordde Michael Strogoff.

Sluiten