Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ivan Ogareff aarzelde dus niet langer.

Op den 2en October, des avonds, werd er in de groote zaal van het paleis van den gouverneur-generaal krijgsraad gehouden. De grootvorst hield daar zijn verblijf.

Dit paleis aan het uiteinde van de Bolchaïa-straat staande, beheerschte den loop van den stroom over eene groote uitgestrektheid. Door de ramen van den hoofdgevel bespeurde men het Tartaarsche kamp, en belegeringsgeschut dat verder droeg dan dat der Tartaren, zou het onbewoonbaar gemaakt hebben.

De grootvorst, generaal Woranzoff en de stedelijke gouverneur, het hoofd der kooplieden, bijgestaan door eenige hoofdofficieren, hadden juist eenige beschikkingen vastgesteld.

„Mijne heeren," sprak de grootvorst, „gij zijt nauwkeurig met onzen toestand bekend. Ik koester de vaste hoop dat wij het tot aan de aankomst der troepen uit Jakoetsk zullen kunnen uithouden. Dan zullen wij die barbaarsche horden wel verjagen en het zal niet van mij afhangen dat zij deze overweldiging van het Mosco vische grondgebied ten duurste zullen betalen."

„Uwe Hoogheid weet dat zij op de geheele bevolking van Irkoetsk staat kan maken," antwoordde generaal Woranzoff.

„Ja generaal," antwoordde de grootvorst, „en ik breng hulde aan hare vaderlandsliefde. Door 's Hemels goedheid heeft zij de verschrikkingen van besmettelijke ziekten of hongersnood nog niet behoeven te verduren en ik heb reden om te gelooven dat zij daar buiten zal blijven; maar op de wallen heb ik haren moed slechts kunnen bewonderen. Heer, hoofd der kooplieden, gij hoort mijne woorden en ik zal u verzoeken die wel te willen overbrengen."

„Ik zeg uwe Hoogheid dank in naam der stad," antwoordde het hoofd der kooplieden. „Zou ik haar mogen vragen binnen welk uiterst tijdstip zij verwacht, dat het hulpleger zal aankomen?"

„Binnen zes dagen op zijn hoogst/mijnheer," was het antwoord van den grootvorst. „Een behendig en moedig zendeling is dezen morgen in de stad kunnen binnendringen en hij heeft mij bericht dat vijftig duizend Russen met versnelden marsch, onder bevel van generaal Kisselef, aanrukken. Twee dagen geleden waren zij te Kirenskaande boorden van de Lena en nu zullen koude noch sneeuw hunne aankomst meer beletten. Vijftig duizend man goede troepen, die de Tartaren in de flank aantasten, zullen ons spoedig bevrijd hebben."

,,Ik kan hier nog bijvoegen," antwoordde het hoofd der kooplieden, „dat wanneer Uwe Hoogheid een uitval mocht bevelen, wij gereed zullen zijn dat bevel ten uitvoer te brengen. "

„Goed, mijnheer," antwoordde de grootvorst, „Wacht tot dat de spits onzer kolonnes zich op de hoogten vertoont, dan zullen wij de overweldigers verpletteren."

Zich daarna tot generaal Woranzoff wendende, zeide hij:

Sluiten