Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»En wie dan, asjeblieft?" vroeg Michel Ardan op hoogen toon.

»De weetniet, die deze even onmogelijke als bespottelijke onderneming op touw heeft gezet."

De steek was niet onder water. Barbicane had al van het oogenblik af dat de vreemde in het strijdperk verschenen was, alle moeite gedaan om zich in te houden. Nu hij zoo ongezouten bij den kraag werd gevat, stond hij op en trad op den onbekenden spreker toe, die hem uittartend afwachtte.

Plotseling werd hij van dien man gescheiden. Opeens namen honderd armen de tribune op, en de voorzitter der Gunclub benevens Michel Ardan werden in zegepraal rondgedragen, evenals bij de Ouden de held op een schild.

Het schild woog nog al zwaar, maar de dragers wisselden elkander onophoudelijk af, daar iedereen wedijverde om zijn schouders onder deze huldebetooging te zetten.

De onbekende had echter van de verwarring geen gebruik gemaakt om weg te sluipen. Hij zou het ook in dat dichte gedrang niet hebben kunnen doen. Hoe het zij, met de armen over elkander geslagen hield hij den strakken blik op Barbicane gevestigd.

Deze verloor hem niet uit het oog en de oogen der beide mannen schoten als bliksemstralen tegen elkander in.

Inmiddels bewoog zich de tribune stadwaarts, op de schouders wiegelende als een boot op het water, te midden van ontelbare hoeden, als golven bewogen. Nu en dan stampte en slingerde het vaartuigje wel wat, doch de beide passagiers stonden stevig en zij bereikten gelukkig de haven van Tampa-Town.

Michel Ardan slaagde er gelukkig in, zich aan de laatste toejuichingen zijner vurige bewonderaars te onttrekken. Hij vluchtte in het hotel Franklin, sloop naar zijn kamer en dook onder de dekens, terwijl een eerewacht van 100.000 personen onder zijn ramen verzameld stond.

Inmiddels had een kort, ernstig, beslissend tooneel plaats tusschen den geheimzinnigen kampvechter en den voorzitter der Gun-club.

Zoodra Barbicane de handen vrij had, ging hij op zijn partij af.

«Kom eens hier!" zeide hij kortaf.

De ander volgde hem op de kade. Zij waren met hun beiden alleen. Met toornige blikken zagen zij elkander aan.

ïWie zijt gij ?" vroeg Barbicane.

«Kapitein Nicholl."

»Ik dacht het half. Tot dusver heeft het toeval u nooit op mijn weg gevoerd . ..."

»Ik ben er met opzet op gekomen."

»Gij hebt mij beleedigd."

»In het openbaar."

»En gij zult mij rekenschap geven van dien hoon."

Sluiten