Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eind verwijderd van het punt waar zij hadden moeten aanlanden, indien zij geen stoornis in de juiste richting hadden ondervonden.

Het was 's nachts te half één. Barbicane schatte toen hun afstand van de maan op 1400 kilometer — een afstand, die afnemen moest naarmate zij de noordpool meer naderden. Het projectiel zweefde op dat oogenblik niet boven den evenaar, maar ongeveer 10 graden noordelijker, en op die breedte konden zij de Maan onder de gunstigste omstandigheden beschouwen.

Door het gebruiken van kijkers konden zij dien afstand van 1400 kilometers tot 14 minderen. De telescoop van het Rotsgebergte haalde de Maan nog meer aan, maar de dampkring der Aarde verzwakte de werking van den kijker aanmerkelijk. Barbicane ontdekte dan ook, door het glas turend, een en andere bijzonderheid die voor waarneming op de Aarde zoo goed als onbereikbaar bleef.

»Mijne vrienden," zeide de voorzitter der Gun-blub deftig, »ik weet niet waarheen wij gaan ook niet of wij wel immer onzen aardbol zullen wederzien. Maar laat ons handelen alsof hetgeen wij verrichten eenmaal ten dienste van onze natuurgenooten moet strekken. Wij moeten ons vrij houden van alle vooraf opgevatte meeningen. Wij zijn sterrenkundigen. Dit projectiel is een vertrekje van de sterrenwacht te Cambridge, in de hemelruimte zwevende. Wij moeten onze waarnemingen doen."

Na deze toespraak werd de arbeid aangevangen met zoo groote nauwkeurigheid, dat zij een getrouwe afbeelding erlangden van die gedeelten der Maan, welke achtereenvolgens onder hun bereik kwamen.

Op het oogenblik toen het projectiel boven den parallel van io° N zweefde, scheen het juist in de richting van 20° O. L. te zijn.

Wij hebben een niet onbelangrijke opmerking te maken aangaande de maankaart, van welke zij zich bij hunne waarnemingen bediende. Daar, gelijk reeds is opgemerkt, de afbeeldingen der Maan haar in den regel zoo voorstellen als zij door sterrenkundige kijkers gezien wordt, d. i. onderstboven, met het noorden naar beneden en het zuiden naar boven, zou men meenen, dat diensvolgens ook het oosten links en het westen rechts moest zijn. En toch is dit niet zoo. Indien de maankaart wordt omgekeerd, zoodat zij de Maan vertoont gelijk men haar met het bloote oog ziet, zou het oosten links en het westen rechts zijn, het omgekeerde van landkaarten. De reden daarvan is deze. De waarnemers op het noorderhalfrond, b. v. in Europa, zien de Maan te hunnen opzichte in een zuidelijke richting. Wanneer zij waarnemen, keeren zij den rug naar het noorden, terwijl zij integendeel bij het bezien van een gewone landkaart ondersteld worden het noorden vóór zich te hebben. En daar zij nu, de Maan beschouwende, het noorden achter zich hebben, ligt ook het oosten links van hen, het westen

Sluiten