Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Michel Ardan meende er met zijn gewone levendigheid terstond beploegde akkers in te herkennen; hij was van oordeel, dat de maanbewoners wel zeer reusachtige ossen moeten hebben om zulke voren te ploegen.

Barbicane onderrichtte hem nader aangaande deze raadselachtige voorwerpen op de Maan. Het zijn groeven — men telt er omtrent xoo — maar de meesten kunnen slechts met zeer fijne werktuigen waargenomen worden. Het best laten zij zich vergelijken bij reusachtige rijtuigsporen, maar sporen van 1000 tot 1500 meter breedte. Zij zijn overal even breed en ofschoon enkelen een zeer zachte bocht maken, loopen zij nimmer in kronkelingen, maar meestal volkomen recht. Beddingen van uitgedroogde rivieren kunnen het niet zijn, want zij loopen niet zelden onveranderd over hooge gebergten heen. Sommige liggen naast elkander, anderen doorsnijden de een de ander overdwars. De lengte is zeer uiteenloopend; er zijn er van eenige kilometers, anderen ook van vele mijlen. Onderscheiden sterrenkundigen van den lateren tijd — aan de vroegere waarnemers, Hevelius, Cassini, Lahire, Herschel, schijnen zij onbekend te zijn gebleven — hebben er hunne aandacht aan gewijd, vooral Schröter, Pastorff, Gruithuizen, Beer en Madler. Het is echter nog niet gelukt er een aannemelijke verklaring van te geven. Zelfs schijnt het nog niet volkomen uitgemaakt, dat het groeven zijn, daar sommige kenteekenen eer aan dijkvormige verhevenheden zouden doen denken.

Michel Ardan hield vol, dat het hoe dan ook, bewijzen van plantengroei zouden zijn, al waren het rijen boomen, die zichtbaar of onzichtbaar konden wezen, naargelang zij in verschillende jaargetijden al of niet bladerloos zijn.

»Dat kan niet," antwoordde Barbicane, »want op de Maan zijn

geen seizoenen."

Zoo is het ook. De as der Maan heeft een zoo onbeduidende helling op het vlak harer loopbaan, dat op iedere breedte de zon er altijd even hoog staat. Boven de streken onder en nabij den evenaar staat de zon bijna onveranderlijk in het toppunt; zij staat daarentegen steeds aan den gezichteinder in de nabijheid der polen. Derhalve heeft elke maangordel onafgebroken, öf lente, of zomer, of herfst, óf winter.

Het projectiel stond nu boven de streek van 40° breedte, nauwelijks 800 kilometer van de Maan verwijderd. Onder hen verhief zich de berg Helicon, 505 meter hoog; links van hen stonden de lagere hoogten, die onder den naam van Iris-golf een gedeelte der

Regenzee uitmaken.

Om de Maan met volkomen juistheid te kunnen waarnemen zou de dampkring der Aarde 170 maal ijler moeten zijn dan nu. Maar in de ledige hemelruimte bevond zich geen middelstof hoegenaamd tusschen de Maan en onze reizigers. Bovendien bevonden zij zich

Sluiten