Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een stoommachine van 500 paardekracht, was belast met peilingen in den Grooten oceaan, ongeveer 100 mijlen van de Amerikaansche kust, onder keerkringsbreedte.

De wind was langzamerhand gaan liggen. Geen koel zuchtje blies over het water. De wimpel der korvet hing onbeweeglijk slap als een natte doek.

Kapitein Jonathan Blomsberry was een volle neef van den ons reeds bekenden kolonel, het ijverig lid der Gun-club, echtgenoot eener jonkvrouw Horschbidden, de tante van den kapitein en dochter van een groot koopman te Kentucky. Hij had geen gunstiger tijd kunnen kiezen om nauwkeurige peilingen te doen. Zijn korvet had zelfs niets ondervonden van het ongunstig weder, dat op het Rotsgebergte het waarnemen van het uitgeschoten projectiel had belet. Alles ging naar zijn zin en hij was er als goed Christen den Hemel dankbaar voor.

De peilingen der Susquehanna hadden ten doel onderzoek te doen naar den gunstigsten zeebodem tot het leggen van een telegraafkabel tusschen de Hawa'ï-eilanden en de Amerikaansche kust.

Het was een uitgebreid plan, uitgegaan van een aanzienlijke Maatschappij, welker directeur, de schrandere Cyrus Field, beweerde dat hij alle eilanden der Stille zee met een uitgestrekt net telegraafdraden zou verbinden — een onderneming, de geestkracht van Amerika waardig.

Aan de korvet Susquehanna waren de eerste peilingen toevertrouwd. In den nacht van 11 op 12 December bevond zij zich juist op 270 7' N. Br. en 410 37' W. L. van Washington.

Nadat kapitein Blomsberry naar kooi was gegaan, vertoefde luitenant Bronsfield met nog eenige andere officieren aan dek. De Volle Maan stond in heldere pracht aan den hemel. Maar al wapenden die zeeofficieren hunne oogen nog zoo goed, toch zagen zij geen spoor van het projectiel dat rondom de nachtvorstin zweefde. Wel zochten zij er naar; wel richtten zij hun kijkers naar de Maan; maar vergeefs.

»Zij zijn nu 10 dagen weg; wat mag wel van hen geworden zijn?" sprak luitenant Bronsfield.

»Zij zijn er toch gekomen," antwoordde een jonge adelborst, »en zeker doen zij wat ieder vreemdeling in elk vreemd land doet als hij er komt — eens wandelen!"

»Omdat gij dat zegt, zal het wel waar zijn," merkte luitenant Bronsfield aan.

»Dat zij er gekomen zijn, lijdt wel geen twijfel," meende een ander officier. »Het projectiel heeft de Maan moeten bereiken juist toen zij vol was, dat is den 5<ien te middernacht. Wij hebben nu den nden, dat zijn 6 dagen. In 6 etmalen, met voortdurend daglicht, heeft men tijd genoeg om het zich lekker te maken. Mij

Sluiten