Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN MEEGEDEELD GESPREK.

— Hoe vaart Grootmoeder ?

Wel, mijn jongen! zie ik je weer eens? — dat doet me plezier; — ik

maak het best op een beetje verkoudheid na; de ouderdom komt met gebreken, en — dus klaag ik niet. Maar ga zitten, ga zitten, en vertel me eens: waaraan heb ik je bezoek te danken ?

— Ja, Grootlief! bepaald aan een gewichtige zaak; — en omdat ik uwe rijpe ervaring en helder oordeel op prijs stel

— St. mijn jongen! zoolang ik niet geheel doof ben, moest je me op die manier niet vleien, — je bent al zoo groot, al een getrouwd man — ha, ha!

— 't Is wezenlijk meer dan vleierij

— Kom liever met je gewichtige zaak voor den dag, mijn jongen!

Hoor dan, grootlief! — maar eerst moet me nog wat van 't hart, en als u dat nu weer voor ongepaste vleierij opneemt, durf ik uw oordeel niet inroepen.

— En wat hebt ge dan op 'thart?

— Wel dit: dat ik me met zoo'n ontzaglijk genoegen de avonduren herinner uit den tijd, toen ik wezenlijk nog maar een „jongen" was, een kleuter van zeven of acht jaar — die avonduren, als u ons allen vergastte op een sprookje van „Moeder de Gans"; daar had u dan verbazend goed slag van; u vertelde zoo prettig, zoo naïef, zoo in den juisten toon, met zulke indrukmakende gestes, dat we huiverden van plezier, en met strak starende oogen u aanzagen, geheel onder den invloed gevangen van de wonderbare geschiedenis. Ja, Grootlief! ge deedt dat uitmuntend; ik dank er u nog voor. •

— Zoo. zoo ! — En wat verder ?

— Grootmoê! zeg me eens oprecht was ik als knaap een lafaard ?

Sluiten