Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch ons Klein-duimpje werd niet boos,

en zong er maar op toe,

Of schuilde weg in stoof en ton,

en speelde: „Kiekeboe! — Maar de armoe sloop de woning in,

het jaar was schraal en duur;

Wel dikwijls hing er in dien tijd

geen etenspot te vuur.

Er» was soms vele dagen lang

< 1 ' 'geen brootl in de oude kast, En werd er door het arm gezin

gehongerd en gevast.

Toen week de blijdschap uit de kluis,

Klein-duimpje zong niet meer, De " kinderen treurden, en dat deed

het ouderhart zoo zeer.

De vader kloofde nog wel hout,

: ■ ' doch hij verkocht niet veel;

Toch hield hij van zijn boterham

maar zelf het kleinste deel.

En moeder werkte nog wel meê,

• • r

maar at geheel haast niet; Zij gaf haar kindren 't laatste brood,

en weende van verdriet.

En mager werden allebei,

en hopeloos in 't end,

De hond en kat al eveneens,

van honger en ellend. —

Eens op een avond zat de man

bedrukt bij 't .haardvuur neêr ; De kindren lagen reeds te bed —

men hoorde hen niet meer.

Ook moeder weende droef en stil,

verdiept was ze in haar smart,

Sluiten