Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mm

En toen nu eindlijk moederlief

noch vader wederkwam,

En donkerder de schaduw werd

van pijn- en beukenstam, — Begonnen — op Klein-duimpje na —

de kindren om het zeerst

Te roepen en te jammeren,

en de oudste nog- wel 't eerst. Zoo stonden ze in het diepe woud

te schreien bij elkaar,

Tot eindelijk Klein-duimpje zei:

„Nu broertjes, troost je maar; „Ik weet den weg nog goed door 't bosch,

komt meê maar langs dit pad;

„Gij ziet de kiezelsteentjes wel?

die steentjes, wit en glad?

„Die heb ik ongemerkt gestrooid,

'k liep immers achteraan „Van morgen? — Maar nu ik voorop,

allons, flink voortgegaan."

En geen van allen huilde meer,

zij volgden broertje, en zie: Klein-duimpje vond terstond den weg —

de steentjes wezen dié.

De vader en de moeder van

't verlaten zevental

Was in hun hutje weergekeerd,

maar juichte niemendal.

Integendeel! — ze waren op

elkaar verstoord en boos;

Het werkloon was juist uitbetaald,

en nu zoo kinderloos! Nu — en de groote pot met brei

hing dampend over 't vuur;

Sluiten