Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En vader zag het lachend aan,

en zei: ,,Eet nu maar goed, „Want in de kast daar is nop" brood

en spek in overvloed."

Zoo ging het vele weken lang,

't was iedren dag volop ;

Maar eindlijk raakte toch weer 't geld

en ook het eten op.

En toen — ach, lieve hemeltje! —

toen nam na lang beraad

De vader 't vroeger middel weer

— het moest wel zoo, — te baat. En weer sprak hij met moeder af

de kindren meê naar 't bosch

Te nemen, en dan weg te gaan,

al brak ze in tranen los.

En ook Klein-duimpje hoorde 't weer,

en dacht: 'k ga morgen vroeg Gauw naar de beek, want steentjes zijn

daar zeker nog genoeg.

Doch toen het uchtendzonlicht scheen

in 't hutje d' andren dag,

En ons Klein-duimpje naar de beek

zich wilde spoeden — ach,

Toen zat de grendel op de deur,

en kon het ventje dus Niet uit om steentjes! — Hoe te doen?

Ik weet wat; — denkt hij flus, En steekt zijn bootram in zijn zak,

niets at hij er van op.

En volgt zijn ouders en zijn broêrs

naar 't bosch nu in galop ; En strooit — hij liep weer achteraan, —

het brood in kruimels neer;

Sluiten