Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En dacht: straks vind ik toch den weg

naar onze hut wel weer. —

En de ouders lieten nu hun kroost

nog dieper in het bosch,

En de arme kindren braken weer

in jammerklachten los;

Doch toen zei ook Klein-duimpje weer:

,,Wat's dat voor malligheid?

„Ik weet nog best het rechte pad,

dat naar ons hutje leidt.

„Droogt, broertjes! dus je tranen af;

ik strooide broodkruim neer,

„En als ik nu die kruimels volg,

vind ik ons huis vast weer."

Maar ach, de vogeltjes in 't groen

die hadden van den weg

De kruimpjes opgepikt, en nu

wist Duimpje heg noch steg.

Als vroeger stond ons zevental

te schreien van belang;

„Och, vadertjen! och, moedertjen!"

zoo klonk het luid en bang;

Maar enkel de echo in het woud

gaf antwoord op die klacht,

En de avond daalde meer en meer

als voorbó van den nacht.

Wanhopig daalde 't zevental

nu her- dan derwaarts heen;

Wie nog een beetje moed bezat

dat was Klein-duimpje alleen;

Toch dacht ook hij: hoe komen we

dat donkere bosch nog uit?

De katuil riep: oehoe! oehoe!

De vleermuis piepte luid.

Sluiten