Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was er lang niet prettig, hoor!

De kindren konden haast Geen hand voor oogen zien zoo zwart,

zoo duister was 't op 't laatst. „Och, waren we — zoo snikten zij —

och, waren we maar dood!" Doch Duimpje dacht: licht komt er toch

nog uitkomst in den nood. — Vlak bij hem stond een slanke boom,

beroofd van knop en blad; Wien denkt gij wel, dat in een wip

hoog in de takken zat? Het was Klein-duimpje — en over 't woud

kon hij nu henen zien;

„Dat lichtje ginds, broertjes! is

van onze hut misschien." Zoo riep hij, want hij zag een licht,

en klom weer spoedig af;

„Daar moet het regelrecht op los,

voort jongens op een draf!"

Wel struikelden zij menig keer,

of prikten zich geducht

Aan distelpunt en dorenstruik,

doch eindelijk: de lucht Was weer te zien, de sterren ook,

en zie — daar lag het huis

Waaruit het licht hun tegenblonk;

maar 't was niet moeders kluis, Het was veel grooter en van steen,

en had een wijde poort; —

De kindren klopten, en dat werd

daar binnen ook gehoord.

Een vriendelijke, jonge vrouw

trad uit de deur en hiel'

Sluiten