Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hen lampje omhoog, zoodat het licht

op onze zwervers viel. — „Och, lieve juffrouw! neem ons in,

voor dezen nacht-alleen ; „Wij zijn verdwaald in 't groote bosch,

en weten niet waarheen." Zoo bad Klein-duimpjen, en zijn broêrs

die klaagden ook niet min ; Dat trof het hart der goede vrouw —

ze liet de tobbers in.

En toen zt waren in het huis,

toen zei ze: kindren, stil !

,,Ik gun je wel een slaapstee, als

mijn man 't maar hebben wil „Want hij — hij is een Wildeman!" —

„Hu !" rilde ons zevental; „Maar 'k weet wat, — zei de vrouw, — dat hij

je toch niet vinden zal."

Toen ging zij naar een ledikant,

reusachtig groot en zwaar ;

Waarin haar zeven dochtertjes

reeds sliepen naast elkaar, En sprak : „schuilt hier maar onder weg,

dan vindt mijn man je niet." Nu, elk begrijpt dat geen der broers

't zich tweemaal zeggen liet.

En nauwelijks zat ons zevental

daar onder 't ledikant, Of: bom ! zoo klonk het op de poort —

dat deed geen menschenhand.

De kindren huiverden van angst,

de Wildeman kwam thuis,

't Was of een os of olifant

er stapte door het huis.

Sluiten