Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,,'k Heb dorst en honger, — bromde hij ;

geef eten, vrouw ! en bier ;

„En — zei hij — wat een lekkre reuk !

Zeg, vrouw! wat ruik ik hier?"

„Wel, man ! dat is 't gebraden schaap,

dat voor je op tafel staat." ,,Neen, vrouw ! ik ruik iets lekkerders

dan 't lekkerste gebraad." „Dat is verbeelding — zei de vrouw ;

kom, eet maar, beste man !"

En hij verslond het halve schaap,

dronk bier, wel dertig kan ;

Maar haalde toch zijn neus weer op —

„Je fopt me, vrouw! ik ruik . . .

„Ha, kindervlèesch !" — toen stond hij op

met dikgegeten buik,

En snuffelde als een woeste beer

door gang en kamers rond,

Totdat hij onder 't ledikant

de bange kindren vond.

„Ha ! — brulde hij, — ik wist wel dat

ik goed geroken had,

„En ik je zeker vinden zou,

waar je ook verscholen zat. „Er uit!" — zoo schreeuwde toen de reus,

en stak zijn linkerhand

Met dikke vingers, grof en hard

diep onder 't ledikant,

En greep ze vast bij arm en been,

de stakkers — ruw en wreed,

En zwaaide in zijn rechterhand

een mes, ontzaglijk breed. „Och," — bad Klein-duimpje, en knielde voor

den Wildeman ter neer, —

Sluiten