Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Och, heb toch' medelij met ons,

eet ons niet op, mijnheer!" — „Zwijg — riep de reus; — ik stoor me aan niets,

ik slacht je zoo ik wil;" :— En ons Klein-düimpje en ook zijn broêrs

ze zwegen doodlijk stil. „Och, — sprak de vrouw toen, — beste man,

plaag toch die kindren niet; „Ze waren in het bosch verdwaald,

't zijn tobbers als je ziet." — „Maar 'k smul er toch eens heerlijk aan!"

hernam de booze man, En sleep nog eens zijn vreeslijk mes,

gereed voor 't gruwzaam plan. „Och, lieve man! — vroeg weer de vrouw, —

och, laat dat heden toch;" En fluistrend zei ze: „zie eens goed,

ze zijn zoo mager nog!

„Bewaar ze liever nog een week,

dan zijn ze dik en vet."

„Dat's waar, — zoo sprak de reus; wel stop

ze dan maar gauw in bed,

„En geef hun volop eten, hoor!

dan smul 'k er later aan." —

En daarop is de Wildeman

zelf naar zijn bed gegaan.

Zijn goede vrouw was recht verblijd,

zij gaf Klein-duimpje een hand,

En legde ons bibbrend zevental

in 't andre ledikant; Zij wenschte hun een goeden nacht,

toen ging zij zachtjes heen —

Zoo waren nu de kinderen

gelukkig weer alleen.

Sluiten