Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Stil, broêrtjes, — sprak Klein-duimpje — st!

wij moeten hier van daan;

„Hier eet de Wildeman ons op,

dus haastig opgestaan;

„Geef mij je mutsen!" — Duimpje sloop

ermeê naar 't bed, alwaar Met gouden kroontjes op het hoofd,

en rustig naast elkaar

De kindren sliepen van den reus;

de kroontjes nam hij meê,

En gaf aan elk der dochtertjes

zoo'n schaamle muts in steê. Toen liep hij door zijn broêrs gevolgd

stil op zijn teentjes voort,

De kamer van den reus voorbij,

den gang door naar de poort.

Gelukkig was die niet op slot,

en helder scheen de maan; Nu voorwaarts wat je loopen kunt,

en nimmer stil gestaan. —

Intusschen werd de Wildeman

in 't midden van den nacht Klaar wakker. — „Drommels, had ik toch

die bengels maar geslacht!" Zoo dacht hij. — „'k Heb verbazend trek!"

En zonder dat zijn vrouw 't Bemerkte, stond de wreedaard op,

en ging door 't groot gebouw-

Naar 't nachtverblijf der kinderen;

daar tastte hij en greep

In 't donker, tot hij in een muts

van een der jongens kneep. „Dit zijn ze met die mutsen, want

in 't andre ledikant „Daar slaapt mijn kroost met kroontjes op . . . ."

en ach, met eigen hand

Sluiten